Gedrag van nieuw geplaatste sensor

Elke keer dat een zender verbonden wordt met de sensor worden er twee elektrische impulsen gegenereerd om de sensor in te regelen. Dit gebeurt altijd, behalve als de batterij van de zender bijna leeg is. Het lijkt er op dat de sensor, om operationeel te worden, zijn actieve substantie bevochtigd moet worden óf, en dat is meer waarschijnlijk, een “plasje” interstitiële vloeistof moet om de sensor gevormd worden. De zender geeft het begin van de impulsen aan door gedurende 10 seconde groen te knipperen. De elektrische stroom (ISIG) van deze impulsen is meestal 4 tot 10 keer hoger dan de sensor stroom tijdens de normale werking. De eerste impuls komt onmiddellijk na het aansluiten van de zender. De tweede puls volgt binnen een uur. Beide impulsen worden gevolgd door een korte periode waarin de sensor stroom laag of zelfs gelijk aan nul is. Daarna groeit de sensor stroom, bereikt het maximum en daalt en stabiliseert vervolgens.

Ik heb grote variatie in de benodigde tijd voor de sensor stabilisatie waargenomen. Gedurende de eerste twee jaar dat ik het systeem gebruikte duurde het wel tot 16 uur. Gebaseerd op deze waarneming dacht ik dat de interstitiële glucosewaarde die de pomp weergaf niet betrouwbaar was gedurende de eerste 12 tot 24 uur na het aanbrengen van de sensor. Later realiseerde ik me dat de tijd die de sensor nodig heeft voor stabilisatie te maken heeft met de hoeveelheid interstitieel vocht en de mate van circulatie bij de injectieplek. Met andere woorden, lange stabilisatie tijd kan duiden op problemen met de circulatie van het interstitieel vocht (meestal veroorzaakt door acidose (verzuring van het bloed). Na regulering van de verzuring van mijn lichaam is de sensor stabilisatietijd verminderd.

In figuur Fig. Newsensor 1. geeft een typisch ISIG profiel weer gedurende de eerste uren na het plaatsen van een nieuwe sensor. Figuur Fig. Newsensor 2. geeft de waardes weer als de sensor van tevoren wordt geplaatst.

Fig. Newsensor 1.    ISIG nieuw geplaatste sensor, zender aangesloten na plaatsing

De sensor is aangesloten op 00:00 uur. De eerste ISIG piek bereikte een waarde van 107.96 nA vijf minuten na het aansluiten van de zender. Vervolgens daalde de waarde naar nul om 00:25 en 00:35. De tweede piek kwam tot 49.51 nA om 00:40 na het aansluiten van de zender waarna de sensor stroom daalde tot 1.14 nA om 00:45.
Ik heb twee dagen gevast (één dag voor en de dag van het experiment) om mijn glucoseverloop zo vlak mogelijk te houden. Het bloedglucose profiel in de figuur geeft aan dat mijn basale toediening gedurende het experiment wat hoger was dan noodzakelijk. Ik heb wat fruitsap genomen om 4:00, 9:00 en 18:00 om hypo's te voorkomen.

Fig. Newsensor 2.    ISIG van nieuwe sensor van tevoren aangebracht

De sensor is aangesloten op 00:00. De eerste ISIG piek bereikte een waarde van 83.29 nA vijf minuten na het aansluiten van de zender. Vervolgens daalde de waarde tot 13.77 nA om 00:10 na het aansluiten van de zender. De tweede piek haalde een waarde van 86.72 nA om 00:15. De stroom daalde naar 15.55 nA om 00:20.
Dit experiment heb ik uitgevoerd op een normale dag. De glucose piek om 01:15 is van de brunch; de piek om 03:55 is van de lunch en de lage waarde om 06:55 is voor een middag snack.

Omdat de sensor stroom een lineaire functie is van interstitiële glucose waarde volgens de formule {Principles 1} in het hoofdstuk "Continue glucosemeting systeem principes", is het beter om de calibratiewaarde te gebruiken dan de ISIG waarde om het gedrag van de sensor te laten zien. Deze calibratiewaarde is beschreven door formule {Principles 2}. Figuur Fig. Newsensor 3. laat de ontwikkeling van de calibratiewaarde zien voor een sensor die gelijk aan de zender is gekoppeld na het inbrengen. Figuur Fig. Newsensor 4. laat de ontwikkeling van de calibratiewaarde zien voor een sensor waar de zender op is aangesloten enige tijd na het inbrengen.

Fig. Newsensor 3.    Ontwikkeling calibratiewaarde, zender aangesloten onmiddellijk na inbrengen sensor

Deze figuur laat zien dat de sensor ongeveer 9 uur nodig heeft om zijn calibratiewaarde te stabiliseren. Hierna zijn betrouwbare metingen mogelijk. De kleine piek van de calibratiewaarde om 10:00 is het resultaat van een hoge bloedglucose meting voor calibratie. De kleine dip om 18:00 komt door een lage bloedglucose meting die gebruikt is voor calibratie. Dit wordt veroorzaakt door het achterwege laten van de ADD constante in formule {Profiles 1} Dit is beschreven in het hoofdstuk "Bloed en interstitieel vocht glucose profielen".

Mijn ervaring met lage circulatie van het interstitiële vocht laat zien dat:

Fig. Newsensor 4.    Ontwikkeling calibratiewaarde, sensor ruim van tevoren aangebracht

Deze figuur laat zien dat de sensor ongeveer 2 tot 3 uur nodig heeft om zijn calibratiewaarde te stabiliseren en dus betrouwbare meetgegevens te verstrekken. De piek in de calibratiewaarde om 03:55 komt door een hoge bloedglucose meting gebruikt voor calibratie en de dip van 6:55 is het resultaat van een lage waarde voor calibratie. Dit is weer veroorzaakt door het achterwege laten van de ADD constante in formule {Profiles 1}.

Mijn ervaring laat zien dat problemen met het komen tot de calibratiewaarde in het geval van lage intensiteit van interstitieel vocht circulatie, niet voorkomen als de nieuwe sensor van tevoren wordt aangebracht of als de de circulatie van het interstitiële vocht hoog is.