Kalibratie proces

Goede kalibratie vormt de basis voor nauwkeurige en betrouwbare continue bloedglucose meting. Het kalibreren betekent een waarde van de kalibratiefactor instellen of, in andere woorden, het instellen van de relatie tussen ISIG en de glucosewaarde van het interstitiële vocht volgens de formule {Principles 2}. Omdat er geen rechtstreekse methode is om de glucosewaarde van het interstitiële vocht te meten wordt de kalibratiefactor bepaald door metingen die verkregen zijn van een bloedglucosemeter onder de aanname dat de glucosewaarde van het interstitiële vocht gelijk is aan de de bloedglucose waarde van 10 minuten eerder.

Het meetsysteem van Medtronic Paradigm 522 en 722 pompen vereist input van bloedglucose waarde (kalibratie):

Het kalibratie algoritme is gebaseerd op de meting van ISIG waardes gedurende een periode van 10 minuten beginnend vanaf de input van de glucosewaarde op de pomp. De in die tijd verzamelde ISIG waardes worden afgevlakt en ISIG die overeenkomend met de tijd 10 minuten na de bloedglucose meting input is gerelateerd aan de bloedglucose waarde volgens de formule {Principles 2}. De nieuwe kalibratiefactor is beschikbaar na 10 tot 15 minuten plus de vertraging die is beschreven in hoofdstuk "Sensor instrumentele vertraging". De achtereenvolgende gebeurtenissen in het kalibratieproces worden weergegeven in Fig. Calibration 1.

Fig. Calibration 1.    Achtereenvolgende gebeurtenissen in kalibratieproces

Situaties:
a)   de bloedglucose meting wordt ingevoerd vlak voordat de interstitiële glucosewaarde berekend en weergegeven wordt. Het duurt 10 minuten (plus display vertraging) vanaf het invoeren van de bloedglucosewaarde totdat de interstitiële glucosewaarde zoals berekend met de nieuwe kalibratiefactor wordt weergegeven. Dit is het kortste interval.
b)   de bloedglucose meting wordt ingevoerd vlak nadat de interstitiële glucosewaarde berekend en weergegeven wordt. Het duurt 15 minuten (plus display vertraging) vanaf het invoeren van de bloedglucosewaarde totdat de interstitiële glucosewaarde zoals berekend met de nieuwe kalibratiefactor wordt weergegeven. Dit is het langste interval.

Mijn regressie analyse laat zien dat de waardes van de kalibratiefactor gebruikt worden afwijken van de waardes die berekend zijn volgens formule{Principles 2}. Dit gebeurt altijd behalve bij de eerste kalibratie na de start van de sensor (via menu opties / Sensor Start / New Sensor of Sensor / Sensor Start / Reconnect Old Sensor). De kalibratiefactor die de pomp gebruikt worden gemiddeld met de vorige waarde volgens de formule
       CAL* = (CALPREV + CAL) / 2      {Calibration 1}
waar CAL* de kalibratiefactor is die de pomp gebruikt,
CALPREV is de waarde van de vorige kalibratiefactor
en CAL is de waarde van de huidige kalibratiefactor berekend volgens formule {Principles 2}.

Een typisch voorbeel van het middelen van de kalibratiefactoren wordt weergegeven in Fig. Calibration 2.

Fig. Calibration 2.    Middelen kalibratiefactoren

De figuur laat een wijziging van de glucosewaarde van het interstitiële vocht na de kalibratie zien.De bloedglucose meting van 79 mg/dl werd ingegeven op 7:15 uur. De interstitiële glucosewaardes tot 7:22 werden berekend met de oude kalibratiewaarde, terwijl de nieuwe kalibratiefactor gebruikt wordt vanaf 7:27. De ISIG waarde gedurende het kalibratieporces was bijna constant. (het varieerde tussen 12.30 en 12. 64 nA). Als er geen kalibratiefactor middeling zou zijn, dan zou de interstitiële glucosewaarde om 7:27 ongeveer 79 mg/dl zijn, terwijl het in werkelijkheid 112 mg/dl is.

Het middelen van de kalibratiefactor is een empirische methode om het systeem zo stabiel mogelijk te maken. Het wordt gebruikt om de invloed van variërend interstitieel vocht circulatie te verminderen. Ook vermindert het de invloed van glucosemeting suspersie zoals omschreven in "Meter nauwkeurigheid" en de invloed van lage en hoge glucosewaardes zoals beschreven in "Bloed en interstitieel vocht glucose profielen". Aan de andere kant leidt het tot onjuiste interstitiële glucose metingen als:

Als dit voorkomt is het herstarten van de sensor de enige manier om een niet uitgemiddelde kalibratiefactor te verkrijgen. Ik dit door gebruik te maken van menu Sensor / Sensor Start / Reconnect Old Sensor omdat je dan de informatie over de sensor leeftijd behoudt.

De eis van een maximum van 12 uur tussen achtereenvolgende kalibraties is te strikt. De achtergrond is logisch. Je probeert immers veranderingen in de kalibratiefactor zo spoedig mogelijk waar te nemen. Het is echter contraproductief in het echte leven. Omdat de kalibratiefactor beïnvloedt wordt door de volgende factoren op het moment van kalibreren:

het zou beter zijn om het interval een paar uur uit te breiden. Het is immers van belang om te kalibreren bij stabiele waardes in een normaal gebied. In mijn geval is het moeilijk om zo'n periode te krijgen tussen het ontbijt en 4 uur na de laatste maaltijd van de dag. Het tijdsverschil tussen deze momenten is 14 – 16 uur. Het is ook moeilijk of zelfs onmogelijk om te meten als je de hele dag buitenactiviteiten hebt bij temperaturen onder nul.

Als ik de periode van 12 uur wat wil verlengen zonder te meten volg ik de volgende formule om de in te voeren (geschatte) waarde te berekenen
       BG = 2 x SGACTUAL - SG-10 MINUTES       {Calibration 2}
BG is de waarde die gebruikt wordt voor de kalibratie,
SGACTUAL is de laatst actuele waarde die de pomp aangeeft
en SG-10 MINUTES is de waarde van 10 minuten eerder.
Natuurlijk herstart ik de sensor met Sensor / Sensor Start / Reconnect Old Sensor zodra ik in omstandigheden bereik voor een betrouwbare kalibratie. Herstarten van de sensor elimineert mogelijke onnauwkeurigheden die zijn opgetreden door de gesimuleerde kalibratie.

Omdat het gat tussen mijn bloedglucose en de glucose van het interstitiële vocht 12 minuten bedraagt, terwijl het algorimte van Medtroning uitgaat van 10 minuten, wacht ik 2 minuten voordat ik de glucosewaarde in de pomp invoer.